De meeste kinderen herkennen zichzelf tussen 18 en 24 maanden in de spiegel. Voor die leeftijd ziet de baby wel een beeld en vindt hij dat interessant, maar begrijpt hij niet dat het om hemzelf gaat. Wanneer een baby zichzelf in de spiegel herkent, is er een belangrijke cognitieve stap gezet: het besef van zichzelf als een afzonderlijk object.
Dit artikel bespreekt de leeftijdsindicaties, het wetenschappelijke protocol waarmee deze ontwikkeling wordt gemeten, de stadia die eraan voorafgaan en wat onderzoek buiten Europa verrassend genoeg heeft aangetoond.
Op welke leeftijd herkent een baby zichzelf in de spiegel?
De gebruikelijke leeftijd ligt tussen 18 en 24 maanden. Een minderheid van de kinderen slaagt er rond 15 maanden in, anderen rond 26 of 28 maanden. Deze variatie is normaal en voorspelt niets over toekomstige vaardigheden.
Wat op deze leeftijd verandert, is niet het gezichtsvermogen. Het zicht werkt al veel eerder goed. Wat verandert, is de mentale voorstelling: het kind wordt in staat zichzelf te zien als een entiteit die van buitenaf kan worden bekeken.
De spiegeltest: wat houdt die precies in?
Het protocol staat bekend als de vlekjestest of de rouge test. Het werd in 1970 door psycholoog Gordon Gallup bij chimpansees vastgelegd en vervolgens in 1972 door Beulah Amsterdam aangepast voor jonge kinderen.
Het vlekkenexperiment
Een volwassene brengt ongemerkt een gekleurde vlek aan op de neus of het voorhoofd van het kind, vaak terwijl die zijn gezicht afveegt. Vervolgens wordt het kind voor een spiegel gezet. Zijn gedrag wordt geobserveerd.
Als hij de spiegel aanraakt of erachter zoekt, heeft hij het verband nog niet gelegd. Als hij zijn eigen neus aanraakt om de vlek te onderzoeken, begrijpt hij dat de spiegeling hem voorstelt. Dat is het criterium voor succes.
Wat de test wel en niet meet
De test beoordeelt een specifieke vorm van zelfbewustzijn: de visuele herkenning van het eigen lichaam. De test meet noch intelligentie, noch taal, noch de kwaliteit van de hechtingsband.
Ook het gevoel te bestaan herkent hij nog niet, terwijl dit veel eerder ontstaat. Een baby van enkele maanden onderscheidt zijn lichaam al van dat van anderen door aanraking en beweging, zoals de ontwikkeling van het tastzintuig laat zien.
De stadia die voorafgaan aan zelfherkenning
Herkenning ontstaat niet plotseling. Ze wordt voorafgegaan door verschillende waarneembare gedragingen, die onder anderen eind jaren zeventig door Michael Lewis en Jeanne Brooks-Gunn werden beschreven.
Van de geboorte tot 6 maanden: een sociale partner
De baby bekijkt zijn spiegelbeeld zoals hij naar een andere baby zou kijken. Hij glimlacht, maakt geluidjes en zoekt contact. Niets wijst erop dat hij begrijpt dat het om hemzelf gaat.
Van 6 tot 12 maanden: de verkenning
Het kind raakt het oppervlak aan, tikt erop en kijkt achter de spiegel. Het behandelt de weerspiegeling als een voorwerp dat het wil begrijpen. Deze nieuwsgierigheid sluit aan bij de nieuwsgierigheid die het toont naar alles om zich heen, ook met de mond.
Van 12 tot 18 maanden: aarzeling
Er verschijnen meer dubbelzinnige gedragingen. Het kind maakt gebaren terwijl het naar de weerspiegeling kijkt, alsof het de overeenkomst wil testen. Het stemt zijn beweging af op het beeld, zonder al tot een conclusie te komen.
Van 18 tot 24 maanden: herkenning
Het kind raakt zijn gezicht aan, kamt zijn haar en trekt bewust grimassen. Sommige kinderen tonen verlegenheid, bedekken hun gezicht of wenden zich af. Deze vorm van gêne wordt beschouwd als een aanvullende aanwijzing voor zelfbewustzijn.
Waarom deze fase belangrijk is in de ontwikkeling
Zelfherkenning ontstaat zelden op zichzelf. Ze valt in de tijd samen met verschillende andere vaardigheden die op hetzelfde voorstellingsvermogen berusten.
In deze periode komt het symbolisch spel op gang: het kind doet alsof, geeft een voorwerp een rol en speelt dat het een knuffel te eten geeft. Daarvoor moet het zich iets kunnen voorstellen dat niet aanwezig is.
Dit is ook de periode waarin zogenoemde zelfbewuste emoties ontstaan: verlegenheid, trots en schaamte. Deze emoties veronderstellen dat het kind zichzelf vanuit een bepaald perspectief bekijkt. Ons artikel over emotieregulatie legt uit hoe je hiermee kunt omgaan.
Tot slot worden het gebruik van de voornaam en voornaamwoorden duidelijker. Het kind verwijst naar zichzelf en zegt vervolgens « ik ». Taal en zelfbewustzijn ontwikkelen zich parallel.
Wat onderzoek buiten Europa heeft aangetoond
De spiegeltest werd lange tijd voorgesteld als een universele mijlpaal. Vergelijkend onderzoek heeft die interpretatie genuanceerd.
Een studie die Tanya Broesch en haar collega's in 2011 publiceerden, paste het protocol toe in verschillende samenlevingen, waaronder op het platteland van Kenia, Fiji, Saint Lucia, Grenada, Peru, Canada en de Verenigde Staten. De slagingspercentages verschilden sterk per context.
Van de geteste Keniaanse kinderen bracht de overgrote meerderheid de hand niet naar het gezicht. Veel kinderen bleven onbeweeglijk en reageerden niet. De auteurs geven hiervoor een verklaring: de verwachte reactie hangt ook af van lokale gedragsnormen in de aanwezigheid van een volwassene.
De redelijke conclusie is voorzichtig. De test meet een echte vaardigheid, maar de gedragsmatige uitingsvorm ervan hangt af van de culturele context. Niet slagen voor de test betekent niet dat er geen zelfbewustzijn is.
Hoe je deze fase kunt begeleiden zonder haar te forceren
Er hoeft niets aangeleerd te worden. Zelfherkenning ontstaat wanneer de ontwikkeling dat mogelijk maakt. De omgeving kan daarentegen kansen bieden.
Een spiegel op kinderhoogte plaatsen
Een onbreekbare spiegel die op grondhoogte aan de rand van de speelruimte staat, stelt het kind in staat zichzelf vrij te bekijken terwijl het zich verplaatst. Dit is een veelgebruikte inrichting binnen benaderingen die door Montessori zijn geïnspireerd.
Veiligheid gaat voorop: een spiegel van acryl of gelaagd glas, aan de muur bevestigd en nooit los in evenwicht geplaatst. Zet hem aan de rand van een stabiele ruimte op de grond, zoals een opvouwbaar en omkeerbaar speelkleed, waarop het kind zonder uitglijden kan opstaan en dichterbij kan komen.
Benoem liever dan dat je test
Het is niet nodig om thuis steeds opnieuw de vlekjestest te doen. Benoem eenvoudig wat jullie samen zien: « dat ben jij », « mama staat achter je ». Taal helpt de verbinding tussen het beeld en de persoon op te bouwen.
Vermijd ook overmatige stimulatie. Een kind dat zich van de spiegel afwendt, loopt geen achterstand op, maar is met iets anders bezig. Klassieke fouten bij de inrichting van de speelhoek worden uitgebreid beschreven in ons artikel over fouten die je met een speelkleed moet vermijden.
Moet je je zorgen maken als je kind zichzelf niet herkent?
Als een kind zich met 24 maanden niet herkent, is dat op zichzelf niet alarmerend. Het krijgt pas betekenis in combinatie met andere signalen.
De aandachtspunten liggen elders: niet wijzen rond 18 maanden, geen woorden, geen oogcontact en geen imitatiespel. Het wijzen met de vinger is een betrouwbaardere indicator dan de spiegel.
Bij twijfel blijft de arts of kinderarts het aanspreekpunt. De verplichte vervolgonderzoeken bij jonge kinderen bevatten nauwkeurige ontwikkelingskenmerken.
Wat je moet onthouden
Een baby herkent zichzelf doorgaans tussen 18 en 24 maanden in de spiegel, met een ruime marge. De vlekjestest meet deze ontwikkeling, maar het resultaat hangt deels af van de culturele context.
Deze fase maakt deel uit van een geheel: fantasiespel, zelfbewuste emoties en het gebruik van « ik ». Er is niets dat versneld hoeft te worden. Een toegankelijke spiegel, een veilige speelruimte en woorden voor wat het kind ervaart, zijn ruimschoots voldoende.
Bronnen
- Gallup G. G. (1970), chimpansees: zelfherkenning, Science.
- Amsterdam B. (1972), reacties op het zelfbeeld in de spiegel vóór de leeftijd van twee jaar, Developmental Psychobiology.
- Lewis M., Brooks-Gunn J. (1979), sociale cognitie en de verwerving van het zelf, Plenum Press.
- Broesch T., Callaghan T., Henrich J., Murphy C., Rochat P. (2011), , Journal of Cross-Cultural Psychology.